COACH LOGIN
schouders trainen gevorderden

Schouders trainen voor gevorderden

WEEKAANBIEDINGEN
BODY EN FITSHOP

Je kan effectiever én veiliger schouders trainen door meer inzicht te hebben in de anatomie en de functies van de diverse spieren in het schoudergewricht. De kleinste veranderingen in de houding van het lichaam en de hoek en richting van fitness oefeningen kunnen invloed hebben op welke spieren er belast worden en hoe zwaar. Zo beschreef ik eerder het verschil in belasting op de deltoideus (nr. 2: grote schouderspier) tussen een zittende en staande shoulderpress en uitvoering met dumbells of een barbell.

Anatomie schouderspieren

De schouderregio bestaat uit meerdere spieren die betrokken zijn bij beweging van de arm. Een beetje ervaren sporter weet hoe hij de voor-, achterkant en zijkant van de deltoideus moet trainen, “de grote schouderspier”. Het specifiek trainen van de onderliggende, stabiliserende spieren is vaak een stuk minder bekend.

Het trainen van deze spieren is vooral van belang voor blessurepreventie en om te herstellen van blessures. Vooral sporters die veel bewegingen boven schouderniveau maken, zijn hierbij gebaat (volleybal, honkbal, tennis etc.). Als je net begint met krachttraining dan zijn de normale schouderoefeningen gericht op de deltoideus voldoende. Doe je hiernaast echter fanatiek aan sporten zoals hierboven beschreven dan doe je er goed aan ter preventie van schouderblessures oefeningen te doen voor de onderliggende, stabiliserende spieren.

Ook wanneer je al langer traint en de deltoideus goed ontwikkeld is, loop je het gevaar op blessures door het verschil in kracht tussen de deltoideus en de onderliggende spieren. Het wordt dan dus belangrijk ook deze te trainen. Om één en ander te begrijpen, ontkom je helaas niet aan anatomie. Dus eerst nog even een kleine les over de anatomie van de schouder. Ik zal niet alle punten van origo en insertie benoemen (beginpunt en eindpunt, de twee lichaamsdelen die door de spier worden verbonden), maar me beperken tot de functie en belangrijkste punten.

Functie en spieren in de schouders

deltoideus anatomie

Er zijn in totaal 7 spiergroepen die het schoudergewricht vormen en zo het schouderblad, scapula, met het humerus, bovenarmbeen, verbinden. In de afbeelding hierboven zie je aan de anatomie met de deltoideus en de trapezius, aan de rechterkant zijn deze verwijderd zodat je de onderliggende spieren kunt zien.

Van deze spieren wordt natuurlijk de deltoideus, de grote schouderspier, het meest getraind door bodybuilders. De belangrijkste functies van de deltoids zijn flexie, extentie, horizontale abductie en adductie. Hiernaast zorgen de deltoids dat de bovenarmen niet uit het gewricht schieten wanneer er gewicht wordt getild.

Dan zijn er de spieren van de zogenaamde rotatorenmanchet. De rotatorenmanchet bestaat uit vier spieren: supraspinatus, infraspinatus, teres minor en de  subscapularis.

Rotator cuff spieren

De functie van deze spieren is vooral het stabiliseren van de schouder door het schouderblad, sleutelbeen en de bovenarmbeen bij elkaar te houden. Hiernaast hebben ze aparte functies (zie afbeelding 2):

  • Supraspinatus: Abductie van de arm 
  • Infraspinatus: Exorotatie van de arm 
  • Teres minor: Exorotatie van de arm 
  • Subscapularis: Endorotatie van de arm 

Tenslotte zijn er de teres major en de coracobrachialis.

De teres major ligt onder de teres minor en helpt de grote rugspier (latissimus dorsi) bij het terugtrekken van de armen wanneer deze naar voren zijn gestrekt (vanuit flexie dus). Een verschil ten opzichte van de latissimus dorsi is dat de teres major de arm tot evenwijdig aan de romp kan terugtrekken, maar niet verder (geen hyperextentie). De teres major trekt de armen ook wat naar binnen (mediaal).

De coracobrachialis (of “ravenbekarmspier”) is vernoemd naar zijn insertiepunt  op een uitsteeksel van het schouderblad genaamd processus coracoideus, in het Nederlands “Ravenbekuitsteeksel”, waar de aanhechting zich bevind tussen de aanhechtingen van de beide koppen van de biceps brachii (zie overige afbeeldingen).

De functie is flexie van de schouders en horizontale adductie. De coracobracialis wordt niet altijd meegerekend tot de spieren van het schoudergewricht. De één telt hier zeven spieren onder, de ander slecht zes. Dit is waarschijnlijk omdat deze qua ligging tot de armspieren gerekend zou kunnen worden. Wat betreft de functie echter, behoort deze dus tot het schoudergewricht.

Samen zorgen al deze spieren voor de verschillende bewegingen van de arm ten opzichte van de romp. De deltoideus is de belangrijkste motor om de arm geheel op te tillen terwijl de overige spieren hierbij helpen (“synergisten”), het gewricht stabiliseren en zorgen voor de draaibewegingen van de arm. Omdat de teres major en coracobrachialis minder vaak betrokken blijken te zijn bij schouderblessures zal ik hier verder niet op ingaan.

Oefeningen voor de supraspinatus en infraspinatus

Japanse onderzoekers keken naar de zogenaamde relaxation time van diverse spieren in de schouderregio om te zien welke spieren bij deze oefening het meest belast worden (5). De “proton spin-spin relaxation time” geeft, zéér simpel gesteld, een indicatie van hoelang de spier na inspanning nodig heeft om weer in de oude staat terug te keren. Hoe langer dit duurt, hoe meer de spier belast is (1,2,3,4).

De Japanners lieten zes mannen met schouderklachten drie verschillende oefeningen doen waarvan eerder onderzoek heeft aangetoond dat deze de supraspinatus aanspreken. Ze gebruikten echter MRI (Magnetic Resonance Imaging) om dus de relaxation time te bepalen en geen EMG (Electromyografie) zoals eerdere studies. Omdat EMG nog wel eens vertekende resultaten geeft door verkeerd geplaatste of verschoven elektroden,  maar ook door de hoeveelheid water in de spieren, gebruiken de Japanners de relaxation time om eerdere resultaten te bevestigen (of ontkrachten).

De oefeningen waren de “Empty can“, “Full can” en “horizontal abduction” (in sportschooltaal: “reverse flyes”). Hiernaast zie je de uitslag waarbij je vooral in de rechterkolom moet kijken naar de grootste toename in relaxation time om te zien welke spieren het meest werden belast.

De Empty can is een oefening voor de supraspinatus. Deze is zo genoemd omdat de handpositie lijkt op het legen van een blikje. Dezelfde beweging wordt niet voor niets gedaan als test voor een eventueel geblesseerde supraspinatus. De Full can is qua beweging hetzelfde behalve dat de duim nu naar boven is gericht alsof het blikje vol moet blijven. In tabel 1 en 2 zien we dat bij deze oefeningen de supraspinatus, infraspinatus en buitenkant van de deltoid het zwaarst worden belast. Beide bewegingen zijn varianten van de side laterals, de meest gebruikte oefening voor de buitenkant van de schouders. Dat ook deze zwaar worden belast, is dus geen verassing.

Jammer is wel dat ze de “normale side laterals” met neutrale grip (duimen naar voren) niet vergeleken hebben. Ook is het jammer dat ze de reverse flyes met de duimen naar boven lieten uitvoeren (gesupineerd) en niet met de duimen naar beneden (geproneerd) of naar voren (neutraal). Aangezien ze de moeite nemen het verschil tussen de Full can en Empty can te vergelijken, waarbij dit enige verschil is, was het logisch geweest deze twee posities ook onderling te vergelijken tijdens de reverse flyes.

Maar goed, geen enkel onderzoek is perfect en ik kom met een ander onderzoek nog terug op de twee andere mogelijke handposities tijdens de reverse flyes. Ook hier verbaast het niet dat ook de achterkant van de deltoideus zwaar wordt belast (tabel 3). Dit is immers de spiergroep waarop men zich richt bij het uitvoeren van reverse flyes met normale/neutrale grip.

Full can minder blessuregevoelig en waarschijnlijk effectiever?

In de tabellen 1 en 2 zie je dat dit voor de supraspinatus en infraspinatus nauwelijks uitmaakt wat betreft de belasting van de spier. Ondanks dat de Empty can de infraspinatus iets meer aanspreekt (waarschijnlijk niet significant), kan toch beter de Full can als oefening gedaan worden.

In het artikel over schouderklachten kan je lezen dat de meeste schouderblessures zijn te verzamelen onder de noemer “shoulder impingement” (of “subacromiaal pijnsyndroom”), beknelling van de schouder. Dit komt doordat in een kleine ruimte spieren, kraakbeen, aanhechtingen, pezen en slijmbeurs hun werk moeten doen en hier soms bekneld bij kunnen raken. Dit kan vervolgens leiden tot een ontsteking en/of erger. Bij het doen van de Empty can, met de duim naar beneden, wordt de kop van de humerus (bovenarmbeen) zodanig naar binnen gedraaid (endorotatie) dat deze ruimte kleiner wordt. Hierdoor wordt de kans op blessures groter. Aangezien deze oefeningen juist vaak worden gedaan ter preventie of genezing van blessures is het verstandig de veiligste manier te kiezen. De Full can geniet dan de voorkeur. 

Deze laatste conclusie trokken ook onderzoekers uit Florida. Ook zij geven aan dat de Full can en Empty can de supraspinatus evenveel belasten en wegens risico op blessures beter voor de Full can kan worden gekozen (6). In tegenstelling echter tot de Japanners geven zij aan dat de Full can de infraspinatus meer belast.

Onderzoek uit de V.S. heeft overigens wel verschil gezien tussen het effect op de supraspinatus door de Empty can en de Full can. Zij zagen ook dat de Full can de supraspinatus ook beter belast (5).

Twee onderzoeken dus die aantonen dat de Full can beter is voor de infraspinatus en een derde onderzoek dat juist de Empty can hiervoor aanwijst, maar een klein verschil ziet. Gezien ook de kans op blessures is dus de Full can aan te raden.

Hieronder een voorbeeldje van de uitvoering van de Empty can. De Full can is dus hetzelfde alleen nu de duimen naar boven.

Hiernaast is uit onderzoek uit Colorado gebleken dat de push-up plus een zeer goede oefening is voor zowel de supraspinatus als de infraspinatus. Dit bleek toen zij keken welke oefeningen het beste waren voor de subscapularis (7).

Oefeningen voor de subscapularis

Over de functie van de subscapularis (letterlijk:”Onder het schouderblad”) is lang verwarring geweest. Dit is mogelijk veroorzaakt door het feit dat men dit zag als een spier die één aansturing krijgt van het zenuwstelsel en als zodanig als één spier werkt zonder onderscheid in functie per deel van de spier (7). Inmiddels is echter aangetoond dat de subscapularis op verschillende manieren wordt aangestuurd door het zenuwstelsel (8,9) en geactiveerd (10). Dit was onder andere zichtbaar doordat de bovenkant van de subscapularis veel actiever is bij bewegingen boven schouderniveau zoals gooien (11).

De hierboven genoemde onderzoekers uit Colorado keken met behulp van EMG in welke mate  zeven verschillende oefeningen de twee delen van de subscapularis activeren. Ze deden dit om zo te achterhalen welke oefeningen zich het beste zouden lenen als preventie en revalidatie van blessures van deze spier (7). De zeven oefeningen die ze deden waren:

  1. Dynamic Hug: Dit is horizontale adductie, of te wel: Flyes zoals die normaal voor de borstspieren gedaan worden.
  2. Forward punch: Als een stoot: Dit is hetzelfde als bankdrukken met dumbells met een smalle neutrale grip (duim naar boven).
  3. Diagonal: Diagonale adductie met endorotatie. De arm begint gestrekt op schouderhoogte en wordt met een binnenwaartse draai, gestrekt de buik gebracht.
  4. Push-up plus: Als een push-up, maar zonder de armen te buigen bij de elleboog. Alleen de schouderbladen worden naar voren geduwd en naar achteren getrokken. Als je deze opzoekt in Google krijg je allemaal plaatjes van dames in push-up beha’s. Erg vervelend natuurlijk, dus heb ik me maar opgeofferd en bij de overige afbeeldingen onderin een voorbeeld geplaatst.
  5. Internal rotation low: Endorotatie. Het naar binnendraaien van de hand. Dit is gedaan vanuit drie posities. Bij internal rotation low was dit bij 0 graden abductie (armen naast de zij)
  6. Internal rotation high: Endorotatie vanuit 90graden abductie (armen als vleugels en dan duimen naar beneden draaien),
  7. Internal rotation mid: Endorotatie vanuit 70graden abductie (arm iets onder schouderniveau).

In de tabel zie je de resultaten waarbij het natuurlijk ook weer interessant is om te kijken hoeveel de andere spieren werden belast. Omdat er met elastieken werd gewerkt is het concentrische gedeelte (bijvoorbeeld tijdens het uitstoten in de forward punch) uitgedrukt als increasing force (toenemende kracht)Hoe verder het elastiek wordt gerekt, hoe meer weerstand deze immers geeft. De weg terug wordt dan ook logischerwijze uitgedrukt als decreasing force (afnemende kracht). Dit is dus anders dan bij dumbells, waarbij de zwaartekracht de weerstand biedt en de hele beweging gelijk kan blijven afhankelijk van de hoek waarin getraind wordt.

In het overzicht zijn alleen de spieren vermeldt die meer dan 20% toename in activiteit toonden ten opzicht van de maximale vrijwillige aanspanning (maximum voluntary contractions, MVC). Wat dit precies inhoudt en hoe dit is gemeten, is een lang verhaal. Van belang is hier bij welke oefening deze activiteit voor de subscapularis het grootst is. Uit het overzicht blijkt duidelijk dat tijdens de push-up plus zowel het bovenste als lage gedeelte van de subscapularis het meest geactiveerd wordt (respectievelijk 121% en 46%). Vooral voor het bovenste gedeelte is het verschil met andere oefeningen erg groot. Voor het onderste gedeelte is het verschil met sommige andere oefeningen een stuk kleiner. Omdat de bovenste subscapularis bij alle bewegingen een grotere activiteit laat zien dan het onderste gedeelte is het bovenste gedeelte het belangrijkst om te trainen alpreventie of revalidatie van blessures.

Zoals hierboven aangegeven, blijkt uit dit onderzoek bovendien dat de push-up plus ook erg geschikt is om de supraspinatus en infraspinatus te trainen.

Oefeningen voor de teres minor

In het onderzoek uit Colorado is helaas niet de activiteit van de teres minor gemeten. Dit gebeurde wel in het Japanse onderzoek waarbij het effect van de drie oefeningen Empty can, Full can en horizontale abductie werden gemeten. Van deze drie hadden de “blikjes-oefeningen” nauwelijks invloed. De horizontale abductie (gesupineerd uitgevoerd, met duimen naar boven!) had hier een redelijk groot effect op de teres minor (Table 3).

Onderzoekers uit de V.S. lieten proefpersonen zeven verschillende oefeningen doen die vaak als revaliderende oefeningen worden toegepast voor de exorotoren van de schouder (12). Dit waren, met andere woorden, oefeningen gericht op de spieren die de arm ten opzichte van de romp naar buiten laten draaien. Hieronder valt dus ook de teres minor (zie overzicht functies per spier bovenaan het artikel).

In het overzicht rechts zie je het effect van de verschillende oefeningen op de activiteit van de teres minor. Ook hier weer uitgedrukt als percentage van de maximale, vrijwillige, isometrische contractie (MVIC). Uit hun resultaten blijkt dat vooral de op-de-zij-liggende exorotatie het grootste effect had. Bij deze oefening lig je op je zij met de elleboog tegen de zij aan en de onderarm die naar voren is uitgestoken (zie afbeelding->) en breng je de vuist omhoog tot deze naar het plafond wijst en weer terug. De bovenarm blijft tijdens deze beweging evenwijdig aan de romp. Deze oefening had overigens ook het grootste effect op de infraspinatus (van de geteste oefeningen ten minste).

Ook zij zagen, net als de Japanners, dat ook de horizontale abductie met exorotatie (als afb.2: Liggend of voorover gebogen, maar dan duimen omhoog gericht) de teres minor sterk activeert (oefening nr. 5 in de afbeelding rechts). Uit het overzicht blijkt echter dat er, naast de liggende exorotatie, meerdere oefeningen zijn  die de teres minor beter aanspreken. Deze zijn allen gericht op actieve exorotatie waarbij de bovenarm tijdens de oefening naar buiten draait (en niet naar buiten gedraaid blijft zoals bij de horizontale abductie).

Voor de teres minor zijn dus meerdere oefeningen geschikt. Dit zijn vooral de oefeningen waarbij de arm naar buiten moet draaien, waarbij de op-de-zij-liggende variant het grootste effect heeft.

Wanneer train je de spieren van de rotatorenmanchet en hoe intensief?

De spieren van de rotatorenmanchet zijn, vergeleken met de deltoideus, kleine spieren. Deze mogen daarom niet vermoeid zijn wanneer je de deltoids gaat trainen omdat dit dan ten koste van “de echte” schoudertraining gaat. Je kan deze daarom beter na de schoudertraining doen of op een aparte dag (liever niet een dag voor of na de schoudertraining). Eén oefening per spier van slechts één set kan al voldoende zijn om te zorgen dat deze spieren niet te zwak worden ten opzichte van de overige spieren die je vaker traint.

Omdat je deze vooral traint op kracht en uithoudingsvermogen, mag het aantal herhalingen per oefening relatief hoog liggen. Dit is echter in het algemeen. Het volume is heel persoonlijk en afhankelijk van je doelstellingen en andere sporten. Als pitcher van een honkbalteam loop je bijvoorbeeld een groter risico op schouderblessures en doe je er verstandig aan dit wekelijks minimaal één keer te doen. Als gemiddelde bodybuilder kan eens in de twee weken al voldoende zijn om veel klachten te voorkomen.

Handpositie voor de achterkant van de deltoideus

De achterkant van de deltoideus wordt vaak getraind met reverse flyes. Deze oefening kan op verschillende manieren getraind worden. Naast de zittende, staande of voorover liggende oefeningen met dumbells, zijn er ook speciaal ontworpen toestellen voor deze oefening. Bij bijna al deze toestellen en bij alle dumbelloefeningen kan je bovendien kiezen uit drie hand posities. Er kan gekozen worden voor een geproneerde grip (duimen naar elkaar), een neutrale grip (duimen naar voren/boven) of een gesupineerde grip (duimen van elkaar af gericht). De laatste methode is dus degene die de Japanners in hun onderzoek lieten doen.

In de Journal of Strength & Conditioning Research verschenen deze maand de resultaten naar de verschillende effecten van de twee andere posities op de belasting van de achterkant en buitenkant van de deltoideus (nr.2 op afbeelding) en de infraspinatus ( nr.3 op afbeelding).

Onderzoekers lieten 19 getrainde studenten op een reverse flyes machine trainen met beide grippen en maten met behulp van EMG de belasting op de spieren. De helft van de groep deed eerst een neutrale grip en dan de geproneerde, de andere helft deed het andersom (om te voorkomen dat de volgorde van invloed was op de resultaten).

Ze stelden het toestel in om 75% van het lichaamsgewicht als weerstand te geven en deden zoveel herhalingen als ze konden (tot failure). De weerstand zegt niet zoveel. Hoeveel weerstand er wordt gegeven hangt af van hoe deze weerstand wordt overgebracht op de persoon en niet alleen van het gewicht dat er aan hangt. Voorover gebogen reverse flyes met dumbells van 75% eigen lichaamsgewicht lukt bijna niemand (tenzij het verdeeld is over beide dumbells) dus dit zal niet de weerstand zijn die daadwerkelijk op de persoon wordt uitgeoefend. Dit maakt echter niet veel uit omdat we vooral kijken naar de verschillende belastingen tussen de twee handposities. Je mag aannemen dat als de belasting omhoog gaat het nog steeds dezelfde spieren zijn die hiermee worden belast en de ene grip nog steeds meer effect heeft dan de andere.

Uit hun onderzoek bleek dat de neutrale grip de grootste gemiddelde en piekbelasting vormde voor de achterste schouderspieren en de infraspinatus en dat dit dus de beste manier is om deze te trainen. Helaas is dit dus niet vergeleken met de andere posities. Omdat er op een andere manier gemeten is (EMG i.p.v. MRI en relaxation time) kan ik ze niet onderling vergelijken).

Meer belasting op de schouderspieren door te knijpen

Zweedse onderzoekers keken wat knijpkracht voor invloed heeft op de belasting door werk en blessures. Ze lieten 9 mensen tijdens verschillende schouderoefeningen in een dynamometer knijpen om te zien of dit de spieren zwaarder belast. De dynamometer geeft aan hoe hard er geknepen werd en er werden instructies gegeven om 30% tot 50% van de maximale knijpkracht te geven. Vooral bij abductie van tussen de 60 en 120 graden (90 graden is dus wanneer je je armen ten opzichte van de romp spreidt als vleugels) zagen de onderzoekers verhoogde activiteit in de supraspinatus en in wat mindere mate de infraspinatus. Bij de deltoideus was de invloed in het algemeen kleiner en juist het grootst bij een hoek kleiner dan 90 graden.

Conclusie

Het trainen van de spieren van de rotatorenmanchet is van belang ter preventie en revalidatie van blessures. Vooral wanneer je sporten beoefent waarvoor je veel bewegingen boven schouderniveau maakt. Deze spieren hebben verschillende functies gericht op stabilisatie van het schoudergewricht, ondersteuning van de deltoideus en rotatie van de arm. De verschillende spieren worden met diverse oefeningen het beste aangesproken al blijft het door de verschillende manieren waarop de onderzoeken hiernaar zijn verricht, moeilijk uit te maken welke per spier “de beste is”. Heel belangrijk is dit echter ook niet. Van belang is dat je weet welke oefeningen desbetreffende spieren goed aanspreken.

Onderzoek Colorado: Test-oefeningen om activiteit van subscapsularis te meten (7):

Referenties

  1.  Adams GR, Duvoisin MR, Dudley GA: Magnetic resonance imaging and electromyography as indexes of muscle function. J Appl Physiol 73:1578–1583, 1992
  2. Fisher MJ, Meyer RA, Adams GR, et al: Direct relationship between proton T2 and exercise intensity in skeletal muscle MR images. Invest Radiol 25: 480–485, 1990.
  3. Fleckenstein JL, Watumull LD, McIntire DD, et al: Muscle proton T2 relaxation times and work during repetitive maximal voluntary exercise. J Appl Physiol 74: 2855–2859, 1993
  4. Shellock FG, Fukunaga T, Mink JH, et al: Acute effects of exercise on MR imaging of skeletal muscle: Concentric vs eccentric actions. AJR Am J Roentgenol 156: 765–768, 1991
  5. Yoshitsugu Takeda, Shinji Kashiwaguchi, Kenji Endo,Tetsuya Matsuura en Takahiro Sasa. The Most Effective Exercise for Strengthening the Supraspinatus Muscle. Evaluation by Magnetic Resonance Imaging. THE AMERICAN JOURNAL OF SPORTS MEDICINE, Vol. 30, No. 3
  6. Escamilla RF, Yamashiro K, Paulos L, Andrews JR. Shoulder muscle activity and function in common shoulder rehabilitation exercises. Sports Med. 2009;39(8):663-85.
  7. Michael J. Decker,† MS, John M. Tokish, MD, Henry B. Ellis, Michael R. Torry,‡ PhD en Richard J. Hawkins, MD. Subscapularis Muscle Activity during Selected Rehabilitation Exercises. THE AMERICAN JOURNAL OF SPORTS MEDICINE, Vol. 31, No. 1
  8. Kato K: Innervation of the scapular muscles and its morphological significance in man. Anat Anz 168: 155–168, 1989
  9. McCann PD, Cordasco FA, Ticker JB, et al: An anatomic study of the subscapular nerves: A guide for the electromyographic analysis of the subscapularis muscle. J Shoulder Elbow Surg 3: 94–99, 1994
  10. Kadaba MP, Cole A, Wootten ME, et al: Intramuscular wire electromyography of the subscapularis. J Orthop Res 10: 394–397, 1992
  11. DiGiovine NM, Jobe FW, Pink M, et al: An electromyographic analysis of the upper extremity in pitching. J Shoulder Elbow Surg 1: 15–25, 1992
  12. Reinold MM, Wilk KE, Fleisig GS, Zheng N, Barrentine SW, Chmielewski T, Cody RC, Jameson GG, Andrews JR. Electromyographic analysis of the rotator cuff and deltoid musculature during common shoulder external rotation exercises. J Orthop Sports Phys Ther. 2004 Jul;34(7):385-94.
  13. Schoenfeld et al. Effect of hand position on EMG activity of the posterior shoulder musculature during a horizontal abduction exercise Journal of Strength & Conditioning Research: POST ACCEPTANCE, 8 January 2013.
  14. Swanik KA, Huxel Bliven K, Swanik CB. Rotator-cuff muscle-recruitment strategies during shoulder rehabilitation exercises. J Sport Rehabil. 2011 Nov;20(4):471-86.
  15. Magee DJ. Orthopedic physical assessment. 2d ed. Philadelphia: Saunders, 1992.
  16. Sporrong H. et al. Hand grip increases shoulder muscle activity, An EMG analysis with static hand contractions in 9 subjects. Acta Orthop Scand. 1996 Oct;67(5):485-90.
WEEKAANBIEDINGEN
BODY EN FITSHOP

Over Kenneth Nwosu

Kenneth Nwosu is gecertificeerd fitness-docent, natural bodybuilder en docent Ryukyu Kobujutsu (Japanse Krijgskunst). Als hoofdredacteur van FITsociety schrijft hij uitvoerig over alles met betrekking tot fitness, bodybuilding, voeding en supplementen.

1 reactie

  1. […] De  Teres major, Teres minor, Infraspinatus en achterkant van de Deltoideus bevinden zich ook in de rug-regio, maar deze heb ik vanwege hun functionaliteit eerder behandeld in het artikel “Schouders voor gevorderden“. […]

Plaats een reactie