COACH LOGIN

De meetpunten met de huidplooimeter

Het vetpercentage kan op diverse manieren gemeten worden, waarbij de bekendste manier de huidplooimeting is. Het is een meting om vast te stellen hoe de lichaamssamenstelling qua vetvrije spiermassa ervoor staat en hoe de verhouding met de vetmassa is. Onmisbaar bij het bulken en cutten. Het lichaamsgewicht en de Body Mass Index, of BMI geven hier geen inzicht in. Er zijn diverse huidplooimeters, of tangen verkrijgbaar, waarbij het de bedoeling is dat je op diverse plekken op het lichaam de huidplooien opmeet en de millimeters bij elkaar optelt. Zo bestaat er de vierpuntshuidplooimeting en de zevenpuntshuidplooimeting. Bij de vierpuntshuidplooimeting van Durnin en Womersley wordt de huidplooimeting uitgevoerd in het midden van de biceps en in het midden van de triceps, onder het schouderblad oftewel de subscapulaire plooi en in je zij, de supra-iliacale plooi. Terwijl er bij de zevenpuntshuidplooimeting de huidplooien van de borst, buik en dijen ook worden gemeten. Het totaal zoek je vervolgens op in de huidplooimeting tabel en dit geeft dan ongeveer weer wat jouw vetpercentage is.

Zoals aangegeven wordt er bij een huidplooimeting gekeken naar de dikte van de huidplooi op verschillende plekken op het menselijk lichaam. Deze plekken zijn:

  • Biceps – de voorkant midden bovenarm
  • Triceps – de achterkant midden bovenarm
  • Subscapulaire plooi – onder het schouderblad
  • Supra-iliacale plooi – vlak boven het bovenbeen

Betrouwbaarheid huidplooimeting

Het vetpercentage meten met behulp van een huidplooimeter blijft de meest betrouwbare vorm van de vetpercentage meting. Er zijn de laatste jaren veel andere meter op de markt gekomen die op basis van de weerstand in je lichaam de vetpercentage bepalen. Natuurlijk kan dit helpen om je uitgangspunt te bepalen, maar in de praktijk zien we toch wisselende resultaten met deze imepdantiemeters. Zo kan de hoeveelheid water die je drinkt tijdens een training bepalend zijn voor de uitslag. Daarom adviseren wij altijd de vetpercentage meting met een huidplooimeter.

Gemiddelde vetpercentage

Elk mens heeft vet nodig om te overleven. Voor vrouwen geld in het algemeen dat ze een hoger vetpercentage hebben dan voor mannen. Wat zijn de richtlijnen wanneer je je vetpercentage gaat meten? Zie daarvoor onderstaand tabel.

Omschrijving Vrouwen Mannen
Essentieel vetpercentage 10–13% 2–5%
Sporters 14–20% 6–13%
Fitness 21–24% 14–17%
Gemiddeld 25–31% 18–24%
Zwaarlijvig 32%+ 25%+

Huidplooimeting

Een van de meest nauwkeurige manieren om het vetpercentage te meten is de huidplooimeting. Door gebruik te maken van een huidplooitang en een vierpuntshuidplooimeting of een zevenpuntshuidplooimeting kun je een goede inschatting krijgen van de vetvrije massa. Wanneer je alle huidplooien bij elkaar op telt kun je gebruik maken van de huidplooitabel waar je op basis van leeftijd en geslacht het vetpercentage kunt bepalen. Het vetpercentage is erg van belang bij het maken van een voedingsschema en een trainingsschema.

Naast de huidplooimeting kun je ook gebruik maken van de bio impedantiemeting, ook wel bio elektrische impedantie analyse (BIA) genoemd. Dit gebeurt door op een weegschaal te staan waarbij de handen en voeten contact maken met de elektroden. De weegschaal stuurt dan vervolgens een kleine electrische lading door jouw lichaam. Het weefsel met veel water, zoals bloed en de vetvrije spiermassa geleiden deze elektrische lading erg goed, terwijl vetmassa niet goed geleiden. Des te hoger de vetvrije spiermassa, des te groter is het geleidingsvermogen van jouw lichaam. Andersom betekent dit dat hoe hoger het vetmassa is, des te lager is het geleidingsvermogen. Op zich is dit een prima manier om jouw vetpercentage te meten, maar de elektrische lading dat door jouw lichaam wordt gestuurd kan op basis van veel variabelen, zoals de hoeveelheid vocht in jouw lichaam op dat moment, erg afwijken. Daarom kiest men vaak voor de huidplooimeting in plaats van de bio impedantiemeting.